bitloos paardrijden petra mensink PMC bitloos hoofdstel cursus les

Bitloos Paardrijden

Kennisbank - Online Academy - Webshop PMC bitloos


Anatomie van het paardenhoofd

Het hoofd - spieren, bloedbanen en zenuwen

Op onderstaand tekeningen een doorsnede van het paardehoofd.

bitloos hoofdstel rijden sidepull kaptoom optoming les cursus aanleuning

Beweging van het hoofd wordt hoofdzakelijk geregeld door de nekspieren. Er zijn een paar kleine, diepe spieren tussen de schedel en de eerste twee halswervels (cervical wervels), die de beweging assisteren. De belangrijkste van deze spieren is de rectus capatis dorsalis (hoofdstabilisatorspier, zie linker tekening); deze zorgt er voor dat het paard zijn hoofd naar buiten kan bewegen.
De oppervlakkige spieren in het hoofd geven het paard expressie en zorgen voor beweging van de lippen, neusgaten, oren, oogleden en kaken.
De meeste van deze spieren komen vanaf de frontale, nasale en bovenkaak beenderen. Sommige spieren hebben meer dan één functie.
De lippen worden gesloten door onder andere de sluitspier (orbicularis oris), die helemaal rond de lippen loopt en dient als een sluitring (rondlopende spier). Dan zijn er de twee spieren die de bovenliggende liphefspieren genoemd worden (superior labial levators), die precies onder ieder oog beginnen en langs het gezicht naar de bovenlip lopen. Deze spieren zetten de neusgaten uit en laten de bovenlip omhoog gaan, bijvoorbeeld bij het flemen.
Ieder oor wordt bewogen door 17 spieren in een complexe manier die doet denken aan een kogelgewricht. Ieder paar oogleden wordt bediend door vier spieren. De oogsluitspier (orbicularis oculi) loopt rond het oog en sluit het boven- en onderooglid. De hefspier van het bovenste ooglid (levator palpebrae superioris) zorgt samen met andere spieren voor het openen van de oogleden.
De onderkaak wordt bewogen door zes spieren. De grootste en sterkste van deze spieren is de kauwspier, die als functie heeft de kaken samen te brengen. De kauwspier bedekt de kaken, begint aan de bovenkant van het hoofd en gaat de onderkaak binnen bij de buitenronding. Hij bepaalt mede de grootte van de kaken van het paard.
Het tongbeen wordt door acht spieren bediend, waarvan sommigen ook de tong bewegen. Een van de bovenste tongspieren heet de "geniohyoideus spier" en deze trekt het tongbeen en de tong naar voren.

De innervatie van de gebitselementen en hun directe omringende structuren wordt geleverd door trigeminale zenuw (5e schedelzenuw). Deze zenuw loopt in de schedel onder het oor langs en loopt verder craniaal door, verdelend in de boven- en onderkaakzenuwen.
Deze illustratie is een vereenvoudiging van vertakking van de trigeminale zenuw aan de gebitselementen. De bovenkaakzenuw gaat de bovenkaak in door de bovenkaakholte die onder het oog zit. De zenuw loopt vervolgens in het infraorbitale kanaal, waar de zenuw zich vertakt richting de individuele kiezen in de kaken en loopt dan de infraorbitale holte uit. De onderkaakzenuw loopt in het midden van de onderkaak naar voren. De inferieure alveolare zenuw, die een tak van de onderkaakzenuw is, gaat de onderkaakholte in en loopt door de onderkaak en zorgt voor de innervatie van de onderkaakkiezen. Deze zenuw loopt door de mentale holte uit en loopt door tot aan de snijtanden.

bitloos hoofdstel rijden sidepull kaptoom optoming les cursus aanleuning

De originele afbeelding vind je hier.

Zenuwen

bitloos hoofdstel rijden sidepull kaptoom optoming les cursus aanleuningbitloos hoofdstel rijden sidepull kaptoom optoming les cursus aanleuning

Figuur I (links)
A. Seventh nerve, B. Posterior auricular vein, C. Anterior auricular vein, D. Temporalis muscle, E. Corrugator supercilii, F. Orbicularis palpebrarum, G. Levator labii superioiis alseque nasi, H. Levator labii superioiis proprius, I. Dilatator naris lateralis, J. Orbicularis oris, K. Zygomaticus, L. Depressor labii inferioris, M. Buccinator, N. Stenson's duct, O. Submaxillary artery, P. Submaxillary vein, Q. Masseter muscle, R. Temporal vein, S. Maxillo-muscular artery, T. Parotid gland, U. Submaxillary vein, V. Jugular vein, W. Maxillo-muscular vein
Fig. II (rechts)
A. Common carotid artery, B. External carotid artery, C. Internal carotid artery, D. Occipital artery, E. Internal maxillary artery, F. Superficial temporal artery, G. Posterior auricular artery, H. Right aud left submaxillary artery, HY. Hyoid bones (divided), I. Right and left submaxillary veins, J. Buccal vein, K. Alveolar vein, L. Buccal plexus, M. Infra-orbital nerve, N. Superior maxillary nerve, O. Inferior maxillary nerve, P. Inferior dental nerve, Q. Lingual or gustatory nerve, R. Mylo-hyoid nerve, S. Masseter nerve, T. Ophthalmic nerves and vessels, U. Glosso-pharyngeal nerve, V. Submaxillary gland, W. Thyroid gland, X. Section of lower jaw, Y. Tempero-maxillary articulation, Z. Hypoglossal or twelfth nerve, a. Larynx

De originele afbeeldingen vind je hier.
Een andere illustratie van enkele zenuwen (nerves) en holtes (foramen) vind je hier.

De tong en de hals van het paard

bitloos hoofdstel rijden sidepull kaptoom optoming les cursus aanleuning

De tong ligt gedeeltelijk tussen de onderkaakbeenderen (de lagen van de mond) en gedeeltelijk boven die beenderen in de mond. Een aantal tongspieren is verbonden met een kleine hoeveelheid botjes in de keel, die tongbeentjes heten (zie tekening B nr. 3). Vanuit die tongbeentjes lopen twee belangrijke halsspieren: de één loopt naar het borstbeen en de andere loopt naar de binnenkant van de schouder. Er bestaat dus een directe verbinding van de tong naar het borstbeen en de schouder. Als er spanning bestaat in de tong, dan heb je ook spanning die helemaal doorloopt naar het borstbeen en de schouder via de halswervel waar je juist wilt dat daar kan worden nagegeven (zie tekening A). Heb je eenmaal spanning in het borstbeen, dan kan het paard onmogelijk zijn rug welven en de spierketting gebruiken die de hals met de staart verbindt en die via de buik van het paard weer terugloopt naar de hals.
Een paar zeer belangrijke details: er bestaan kleine spiertjes die de tongbeentjes verbinden met het kaakgewricht en met het gebied rond de nek, waar het hoofd aan de hals verbonden is. Het kaakgewricht is feitelijk een belangrijk centrum voor de zenuwen die zorgen voor balans en proprioceptie. (Proprioceptie is een onderdeel van het centrale zenuwstelsel van het paard, waardoor het weet waar zijn voeten zich bevinden zonder ernaar te kijken en maakt derhalve ook deel uit van het coördinatiesysteem van het paard.) Ook de zenuwen van de onbewuste registratie (proprioceptie) van de voorbenen van het paard liggen in het gebied van de tongbeentjes.
De nek is belangrijk omdat het kopstuk van het hoofdstel daarop druk kan uitoefenen en er een nauwe relatie bestaat tussen de spiertjes van de tweede halswervel, het tongbeen, het kaakgewricht, het hoofd en de nek.
Wanneer we al deze anatomie en fysiologie vertalen naar het paard, dan kunnen we stellen dat het paard in staat is vrijer te bewegen met een betere coördinatie door een vrije, ontspannen en zachte tong. De passen van een paard kunnen opvallend langer worden, zijn balans wordt beter en bovenal wordt het paard gemakkelijker te rijden.
Meer over de tong - en ook over het gebit - van het paard vind je in het blog De tong van het paard.

De neus van het paard

De neus bevat doorgangswegen (nasal passages) die de lucht van buiten naar de keel leiden. In de neus zitten vitale organen die onder andere zorgen dat de lucht verwarmd, bevochtigd en gefilterd wordt. De openingen van de neusdoorgangen vormen de neusgaten (nostrils).
De neusgaten zijn opgebouwd rondom rondlopend stevig kraakbeen. Dit kraakbeen kan uitgerekt worden of opengesperd, om meer lucht binnen te krijgen gedurende arbeid. De linker en rechter neusdoorgangen zijn gescheiden door een reep kraakbeen dat neusseptum genoemd wordt. Ieder neusgat bevat drie tere beenderen, die scheidingswanden (turbinalen) worden genoemd. Deze beenderen zijn overdekt met een dik en zacht slijmvlies. De bovenste (dorsale) en de lagere (ventrale) scheidingswanden zijn lang. Ze liggen opgerold in de vorm van een boekrol en tellen vele gaten, zoals een zeef. Samen met het slijmvlies dragen ze bij aan de nauwkeurigheid van het geurvermogen van het paard, omdat ze een breed oppervlakte beslaan. Het derde been is de ethmo-turbinal. Deze ligt helemaal achterin de neusholte en bestaat uit een groep plaatachtige rolletjes. Het slijmvlies dat deze structuur omkleedt, zit vol met reukzenuwen, die de "geur"boodschappen doorsturen naar de paardenhersenen.

De mond van het paard

De mond wordt aan de voorzijde omgeven door lippen, aan de binnenzijden door de wangen, aan de bovenzijde door het harde verhemelte, aan de onderzijde door de tong en daar onder de slijmvliezen. De tong is een spierweefsel dat wordt gesteund door het tongbeen en het kaakbot. Het harde verhemelte gaat achterin over in het zachte verhemelte, dat als een poort dient om voedsel en water te laten doorgaan van de mond naar het slokdarmhoofd (maar niet vanaf het slokdarmhoofd naar de mond).
De mond vormt het begin van het spijsverteringssysteem. De lippen pakken het voedsel en geven het door aan de mond met behulp van de tong. De snijtanden worden gebruikt om het gras vast te pakken en door te snijden. De kiezen vermalen het voedsel in kleine stukjes terwijl het vermengd wordt met speeksel, ter voorbereiding op de vertering. Ondertussen scheiden drie speekselklieren speeksel uit om het voedsel nat te maken. De grote hoeveelheid speeksel wordt vermengd met het voedsel. Samen nemen ze bijna tweevoudig in volume toe, vergeleken bij de hoeveelheid van het opgenomen voer. Met deze factor dient rekening gehouden te worden wanneer men de portie voer per keer voor een paard bepaalt.
Het speeksel bevat kleine hoeveelheden van verteringsenzymen (eiwitten), die het verteringsproces in gang zetten. De tong schuift het voedsel door naar het slokdarmhoofd, de toegang tot de slokdarm.
Wanneer een paard drinkt, gebruikt hij zijn tong als een zuiger van een zuigpomp om water op te nemen, precies zoals een mens doet wanneer hij door een rietje drinkt. Iedere slok bevat ongeveer een kwart liter. Het paard zet zijn oren naar voren in een reflex op het zuigen en weer naar achteren bij het doorslikken van iedere slok.

Het strottehoofd van het paard

Het strottehoofd (larynx) vormt de doorgang tussen neuswegen naar de luchtpijp en de longen. Het is een essentiële holle "schelp", die bestaat uit negen kraakbeenderen. Het wordt opgeschort van de rug van de schedel door het tongbeen (hyoid bone), en past over het hoogste eind van de luchtpijp. Het grootste gedeelte is bedekt met slijmerig membraan. Twee sterke ligamenten lopen over de opening van het strottehoofd; dit zijn de stembanden. Het strotteklepje sluit het strottehoofd tijdens het slikken af, om te voorkomen dat het paard voedsel inademt.
Het strottehoofd kun je voelen tussen de kaken, vlak tegen de hals. (Dierenartsen kunnen een paard laten hoesten door zachtjes in het topje van de luchtpijp te knijpen.)

bitloos hoofdstel rijden sidepull kaptoom optoming les cursus aanleuning

De slokdarm van het paard

Het slokdarmhoofd (pharynx) vormt de doorgang tussen mond en slokdarm. Voedsel gaat door het slokdarmhoofd heen door spieractiviteit. Omdat het slokdarmhoofd ook dient als luchtdoorvoer tussen de neusgaten en het strottenhoofd, dient het dus twee systemen: het ademhalings- en het verteringssysteem.
Het zachte verhemelte dat achter in de mond ligt, dient als afsluiter om te voorkomen dat voedsel, water en lucht terugkeren via het slokdarmhoofd in de mond. Daarom kan een paard noch ademhalen, noch overgeven via de mond.
Als voedsel niet naar beneden wil in de slokdarm, ten gevolge van ziekte of verstopping, dan zal het er eerder via de neusgaten uitkomen dan via de mond.
De slokdarm (esophagus) is een buis van ongeveer anderhalve meter lang, die het slokdarmhoofd verbindt met de maag. De buis loopt via de hals, door de borst (borstholte) en vervolgens door een opening in het middenrif. De ringspieren van de slokdarm dwingen voedsel en water naar beneden in samentrekkende golfbewegingen, wat peristalstiek (peristaltische beweging) wordt genoemd.

Speekselklieren en lymfeklieren

Drie belangrijke paren speekselklieren scheiden speeksel uit in de mond: de oorspeekselklier, de onderkaakspeekselklier en de ondertongspeekselklier. De oorspeekselklieren zijn het grootst en liggen beneden de oren en achter de kaken. De onderkaakspeekselklieren liggen gedeeltelijk onder de oorspeekselklieren en gedeeltelijk binnen de onderkaak. De ondertongspeekselklieren liggen onder de tong en kunnen gevoeld worden vlak onder de huid tussen de onderkaakbeenderen.
In dat gebied liggen ook de onderkaak lymfeklieren. Dit stel klieren komt in het midden bij elkaar en kan tussen de kaken gevoeld worden. Ze hebben een structuur die in het algemeen kan opzwellen en soms uitbarst wanneer het paard droes heeft. Andere lymfeklieren kunnen ook aangetast worden.

Wil je beginnen met bitloos paardrijden en heb je allerlei vragen, twijfels en zorgen over de rem, het stuur en controle? En wil je graag zonder bit heerlijk ontspannen en in wederzijds vertrouwen genieten van jullie buitenritten? Maak dan een goede start met de Bitloos Paardrijden starterskit! Klik op de button en ontdek hoe jij de beste start kunt maken en jouw paard nooit meer een bit in hoeft!
bitloos

Gerelateerde blogs


Anatomie is een blog van Bitloos Paardrijden.
Auteur: Petra Mensink, d.d. 16 maart 2009.
Copyright ©2009 Bitloos Paardrijden, all rights reserved.