www.bitloospaardrijden.info



 

 

Teugeldruk

De invloed van de teugel en het bit op de bewegingen van het paard; anatomisch-functionele overwegingen

Door: H. Geyer - Veterinary-Anatomical Institute, University of Zurich, Switzerland
Teugels en bitten evenals bitloze hoofdstellen hebben een leidend èn een belemmerend effect op de voorwaartse beweging van het paard.
In dit artikel zullen de overwegingen vanuit een anatomisch standpunt worden benadrukt.
Wetend dat er een enorme diversiteit aan hoofdstellen is (Corda, 2001; Webber, 2002; Bennett, 2005) is het belangrijk om na te denken over hoe en waar de bitten of hoofdstellen en hun toebehoren het paard beïnvloeden. Een paar metingen, die concrete gegevens over de veroorzakende krachten verstrekken, kunnen in de literatuur worden gevonden (Preuschoft, 1993 en 1999; Preuschoft et al, 1999; Roepstorff, 2005).
Met ieder type hoofdstel moet men rekening houden met de gevolgen wanneer in plaats van de zachte hand een ruwe hand gehanteerd wordt en dat de ruwe hand nog meer kracht uitoefent bij onregelmatige bewegingen het hoofd van het paard.

Het bit in de mond

Het metalen, rubberen of plastic bit ligt voor de kiezen (molaren) in een gebied van het tandvlees waar geen tanden en kiezen zitten. De ruiter moet rekening houden met de gevoelige structuren die door diverse krachten worden beïnvloed (Frei, 1998). Ventrale krachten drukken in het midden tegen de tong (Fig. 5) en vooral lateraal tegen de randen van de onderkaak (Fig. 1). Hier is het tandvlees van de onderkaak marginaal opgevuld, wat impliceert dat de ruwe of langdurige krachten beenvliesirritatie kunnen veroorzaken, wat kan leiden tot beenvormingen/botwoekeringen van de onderkaak (noot van de vertaler: zie ook deze veterinaire handleiding operatieve verwijdering botwoekeringen).
Wanneer paarden de tong over het bit heen tillen, is de druk van het bit op de onderkaak bijzonder pijnlijk. Met de meeste hoofdstellen wordt met de sperriem of kinketting gereden (Fig. 4), wat het paard verhindert de mond te openen wanneer hij probeert de ventraal geleide krachten op het bit en daarmee in de mond te vermijden.


Fig. 1: Krachten en inwerkingen van het bit

a. bit en krachtrichtingen, ventraal en dorsaal
b-d. gebieden in de wervels die beïnvloed worden door kracht op het bit
b. kaakgewricht
c. halsgebied
d. halswervels (cervical vertebra)

Dorsaal geleide krachten bereiken het verhemelte, juist wanneer bitten te ruw worden gebruikt of wanneer bitten omhoog bewegen. De bewegingen in de tegengestelde richtingen veroorzaken ook dikwijls irritatie van de wolfskiezen (Fig. 8); de slecht ingebedde wolfskiezen zijn namelijk bijzonder gevoelig voor deze bewegingen. De tegengestelde krachten worden ten eerste geleid tegen de kiezen, en vervolgens achterwaarts opgevangen. Dit zou de voorwaartse beweging die vanuit achter in het lichaam komt, moeten regelen en leiden, maar niet blokkeren. De vraag zou moeten worden gesteld of een harde, onproductieve hand kan leiden tot schade op lange termijn van het kaakgewricht, het halsgebied en de nekwervels. De laatste jaren is een toename van artrose van de hals- en rugwervelverbindingen geconstateerd bij bereden paarden, wat verband kan houden met de krachten die uitgeoefend worden om de voorkant van het paard te blokkeren ("in de krul rijden").

Metingen

Preuschoft (1993, 1999) en Preuschoft et al (1999) bevestigden elektronische meetapparaten aan de uiteinden van de teugels (Fig. 3). Ervaren ruiters gebruikten krachten tot 30 Newton in stap (= ruim 3 kilo) tot 75 Newton in draf (= ruim 7,6 kilo) en tot 60 Newton in galop (= ruim 6 kilo). De gemiddelde teugelkrachten van 30 Newton in stap werden gemeten terwijl de paarden bereden werden op een loopband (Roepstorff en Weishaupt, 2005). De teugels brengen de signalen van de handen van de ruiter over op het bit, of in het geval van een bitloos hoofdstel op andere anatomische structuren. Slechts kleine, zachte signalen die voor het paard begrijpelijk zouden moeten zijn, zouden naar het hoofdgebied moeten worden overgebracht. Wanneer hoofdzakelijk zit- en beenhulpen worden gebruikt, zouden de teugelhulpen deze slechts moeten aanvullen en ondersteunen. Het feit dat Preuschoft (1993) krachten van zelfs 150 Newton (= circa 15 kilo) waarnam, verdient de nodige aandacht.
Door de teugel en het bit of bitloos hoofdstel zijn de impulsen van het achterbeen dat de grond verlaat, geregeld in een voorwaartse en opwaartse richting over de croupe en de rug. De impulsen van het voorbeen zijn geregeld in een voorwaartse en opwaartse richting over de schouder (Fig. 2). Door de teugels en het bit of bitloos hoofdstel communiceert de ruiter ook enkele hulpen voor de zijwaartse bewegingen.


Fig. 2: Teugels en bit

- in de tekening met stang en trens - reguleren de voorwaartse en opwaartse krachten van de achterhand.


Fig. 3:

Deze door middel van de teugel en bit bereikte hoofd-hals-houding heeft een enorme invloed op de nek- en halsspieren en stabilisatie van de rug. Het paard toont wel het "door de nek lopen", maar dit wordt alleen bereikt door middel van een voorwaarts-neerwaartse houding, waarna de gewenst aanspanning van nek- en rugspieren automatisch volgt.


a. funiculus nuchae; b. ligamentum supraspinale; c. teugel; d. bit; e. meetinstrument om de krachten te meten die door de teugels lopen (Preuschoft et al., 1999)

Fig. 4: Hoofdstel met stang en trens en kinketting.

De hefboomwerking van de stang (a) werkt door op de onderkaak met een kracht van 4:1 en er ontstaat kracht op de bakstukken (d) dat als druk op de bovenkaak inwerkt.
a. hefboom; b. bit; c. bovenkaak, d. bakstuk; e. kinketting; f. teugel aan de trens; g. teugel aan de stang.


Fig. 5: Positie van de bitten, liggend op de onderkaak en de tong.

Het is belangrijk je te realiseren wat de mogelijke inwerking is van de bitten op de onderkaak en tong. Ook belangrijk is de juiste breedte van het bit; er moet een vingerbreedte ruimte zijn tussen de lippen en de bitringen.
a. tong; b. onderkaak; c. trensbit; d. trensringen; e. hefboom; f. stangbit

De voorwaarts-neerwaartse hoofd-hals-positie van het jonge paard en het "door de nek lopen" van het opgeleide paard staan het paard toe om de rug door de hals en de achterhandspieren (Fig. 3) te stabiliseren. Deze elastische stabilisatie van de rug wordt verhinderd wanneer het hoofd naar achteren en omhoog wordt gedwongen, of wanneer het hoofd en de hals van het paard worden gedwongen te "krullen" waardoor het stabiliseren van de rug wordt belemmerd (vergelijk Meyer, 1996; Preuschoft, 1993 en 1999; Preuschoft et al, 1999). Het opgeleide paard kan slechts door middel van een licht teugelcontact de comfortabele stabilisatie van zijn rug opzoeken.

De vorm en de grootte van het bit moeten worden aangepast aan de mond van het paard. Door druk op het bit mogen de mondhoeken niet omhoog getrokken worden. Bitten die te breed zijn, veroorzaken onregelmatige bewegingen en pijn in de mond. Een bit past goed wanneer een (wijs)vinger past tussen de lippen en de bitringen. Over het algemeen hebben smalle bitten met een kleine diameter een sterker effect dan iets dikkere bitten met een groter diameter. Hoofdstellen met een rubberen bit zijn zachter qua inwerking. Van de metalen bitten zijn die met dubbelgebroken mondstuk duidelijk comfortabeler.

Hefboomwerking

Dubbele teugelvoering heeft een hefboomwerking. De onderkaakring, waar de tweede teugel aan bevestigd is, is vaak vier keer langer dan de bovenkaakring tussen het bit en de kaak. Dit verhoogt de druk met een factor van vier (Fig. 4). Dit betekent dat alleen uiterst fijne en gevoelige hulpen moeten worden toegepast. Daarom zou het gebruik van dubbele teugels slechts toegestaan mogen worden bij goed opgeleide paarden en door alleen zeer ervaren ruiters of menners. Wanneer aan de tweede teugel wordt getrokken, kan de kinketting immense druk op de buitenkant van de onderkaak uitoefenen. Verder kan de dubbele teugel door de bovenkaakring druk op het kaakgewricht uitoefenen via de bakstukken.

Slofteugel

Uit de talrijke hulpteugels behoeft de slofteugel bijzondere aandacht (Fig. 6). De teugel die loopt van de singel door de bitringen naar de handen van de ruiter, werkt als een katrol. De kracht van de ruiterhand wordt verdubbeld, waardoor er een overdaad aan krachten ontstaat in de mond van het paard, vooral wanneer deze teugel door minder ervaren ruiters wordt gebruikt.
Een slofteugel verhindert het paard zijn hoofd omhoog te brengen en beperkt continue de vrije bewegingen van het hoofd. Hiermee wordt een irritatie tot beschadiging van de paardenmond veroorzaakt en vormt een significante belemmering van de voorwaartse beweging van het paard.

Fig. 6: Inwerking van de slofteugel.

De teugel is bevestigd aan de singel en loopt door de bitringen naar de ruiterhanden. Dit zorgt voor een katrolwerking, waardoor de krachten in de mond van het paard worden verdubbeld. Deze sterke krachten kunnen veel te sterk zijn voor het paard, vooral ook wanneer met ruwe handen en minder ruitergevoel wordt gereden.

Bitloze hoofdstellen

Bitloze hoofdstellen zoals de bosal, hackamore, cavesson (Preuschoft, 1993, 1999; Preuschoft et al 1999; Webber, 2002) en het Dually halter (Fig. 7) kunnen ook het halsgebied of het onderkaakgebied beïnvloeden. Het voorbeeld van het Monty Roberts Dually halter toont dat een grote druk op de neus van het paard wordt uitgeoefend wanneer het paard naar voren duwt. Er volgt wel onmiddellijk een release wanneer het paard wijkt voor deze druk. Men moet niet vergeten dat ook bitloze hoofdstellen grote krachten kunnen uitoefenen op/langs het hoofd.

Fig. 7:

Werking op de neusbrug, geïllusteerd door het Monty Roberts Dually halter. De neusriem oefent slechts druk uit bij aanspanning van de teugels.

Zenuwen

Fig. 8 toont de belangrijkste gevoelige zenuwen in gebieden die door bitten of bitloze hoofdstellen kunnen worden geïrriteerd. De gevoelige, stille en zachte hand van de ruiter communiceert door middel van zachte bewegingen richting het paard. Een zachte hand kan de krachtige voorwaartse beweging van het paard niet belemmeren, maar juist tactvol controleren, zodanig dat de pijngrens van het paard niet wordt bereikt. Wanneer de teugelvoering zorgvuldig plaatsvindt, zal het paard de teugel die geen pijn veroorzaakt, goedkeuren. Nadat het paard zorgvuldig is opgeleid, zal het zich voortbewegen op een gecontroleerde manier terwijl het dragend voortbeweegt, er licht teugelcontact is en geen vrees is voor druk of pijn.


Fig. 8: De meest belangrijke zenuwen die door het tuig, de teugels en het bit beïnvloed worden.

a. N. infraorbitalis of N. maxillaries (bovenkaak en neusgebied); b-e. uitlopers van de N. mandibularis (kaak) (b), tong (c); onderkaak (d), kin (d) en huid (e); f. ventrale halszenuwen van de tweede nekwervel tot de keelgang; g. dorsale zenuwen van de eerste en tweede halswervel (nekgebied); h. bit; i. wolfskies.

De invloed van de teugel en het bit op de bewegingen van het paard; anatomisch-functionele overwegingen - samenvatting

De grote diversiteit in bitten en teugels maakt het zeer moeilijk om hun invloed te beoordelen. Het bit veroorzaakt krachten in ventrale, dorsale en achterwaartse richting. De ventrale krachten kunnen schade aanrichten aan de onderkaak. Vooral de achterwaarts geleide krachten belemmeren de voorwaartse beweging van het paard en het kaakgewricht, de nek en de wervelverbindingen zijn gebieden waar hoge krachten op komen. De trekkrachten van de teugels variëren onder ervaren ruiters van ruim 3 kilo in stap tot ruim 7,6 kilo in draf (Preuschoft et al, 1999). De hogere krachten onstaan door de hefboomwerking van een stang of mechanisch hoofdstel wanneer de teugels worden aangenomen. Het bitloze hoofdstel geeft druk in gebieden zoals de neus, nek of onderkaak. De meest belangrijke zenuwen, die geïrriteerd kunnen raken door het bit of een bitloos hoofdstel, zijn aangetoond (Fig. 8). De zachte, stille hand van de ruiter kan pijn en schade aan de paardenmond en het paardenhoofd voorkomen en laat de bewegingen van het paard gecontroleerd toe zonder deze te belemmeren.

Een hartelijk dank aan mrs. Jeanne Peter voor de tekeningen; P. Chuit, Th. Frei, A. Fürst, P. Roepstorff, M. Weishaupt and A. Zangger voor de professionele and deskundige bijstand gedurende de bestudering van dit onderwerp.
Referenties:
* Bennett DG. Bits, bridles and accessories. In: Baker G and Easley J, eds. Equine Dentistry, 2nd edition. London : W.B. Saunders Company, 2005; p. 9-22. - Available from amazon.com
* Corda A, ed. Mors et embouchures. Clichy, France : Editions La Rivière, 2001. - Available from amazon.com -
* Frei Th. Vom Maul hängt alles ab. Pferdespiegel 10/1998; 43-44.
* Meyer H. Zum Zusammenhang von Halshaltung, Rückentätigkeit und Bewegungsablauf beim Pferd. Pferdeheilkunde 1996; 12:807-822.
* Preuschoft H. Zügelführung sensibler machen. Pferdespiegel 9/1993; 41-44.
* Preuschoft H. Doppelte Kraft nach hinten. Pferdespiegel 10/1999; 16-18.
* Preuschoft H, Wilte H, Recknagel S, et al. Über die Wirkung gebräuchlicher Zäumungen auf das Pferd. Dtsch tierärztl Wschr 1999; 106:169-175.
* Roepstorff L, Johnston C, Drevemo S, et al. Influence of draw reins on ground reaction forces at the trot. Equine Vet J Suppl 2002; 34:349-352.
* Roepstorff L und M Weishaupt. 2005. In Vorbereitung - persönliche Mitteilungen.
* Webber T. Mouths and bits. GB-Addington, Buckingham: Kenilworth Press, 2002.
Alle rechten voorbehouden. Dit document is te vinden op www.ivis.org, document nummer P1909.1205.
Speciale dank aan Simone Engels voor haar vertaling in het Engels.

Meer en uitgebreide informatie met uitleg en berekeningen over krachten, druk en teugeldruk vind je op de pagina Krachten.