Onderzoeksmethoden
De identificatie van metaalresidu's
Een residu is een stof die overblijft na een chemische reactie of mechanische verwerking.
De identificatie van metaalresidu's geassocieerd met bitgebruik op prehistorische paardgebitten door middel van het scannen met elektronenmicroscopie met
energieverspreidende röntgenmicroanalyse.
Samenvatting
Onze bevoegdheid om bewijsmateriaal van het gebruik van paarden voor vervoer van archeozoölogische overblijfselen te identificeren, is belangrijk voor het
verbeteren van ons begrip van de rol van paarden in sociaal-economische veranderingen door heel de voorgeschiedenis. Wanneer een paard met een bit wordt gebruikt,
kan het bit in contact komen met het voorste oppervlak van de onderste tweede premolar (P2). Hier, resultaten van de röntgenmicroanalyse,
die in variabele druk met de elektronenmicroscoop zijn gescand, zijn chemische elementen op het voorste oppervlak van de P2 op vier archeologische paarden waargenomen.
Analyse van gebitsmaterialen (emaille en cementum) gaven verwachte resultaten, waarin calcium, fosforachtige stoffen en zuurstof overheersen.
IJzerrijke residu's zijn ook geïdentificeerd op de voorzijde van de kiezen, waarvan wordt aangenomen dat deze het gevolg zijn
van het contact met ijzeren bitten. Het is voorgesteld dat dergelijke analyses een nuttige extra methode kan verstrekken om bitschade bij archeologische paarden
te identificeren of interpretaties te bevestigen die van macroscopische onderzoeken worden gemaakt.
Hoogtepunten
Bij vier paarden uit het ijzertijdperk is de P2 onderzocht, gebruikmakend van SEM/EDX.
De chemische elementenanalyse van de voorste oppervlakten van de premolaren is vastgesteld.
De ijzeren residu's op twee kiezen worden geïnterpreteerd als gevolg van het contact met ijzeren bitten.
De resultaten bieden bevestiging van de gepubliceerde macroscopische onderzoeksmethode naar slijtage door het bit.
SEM/EDX analyse is voorgesteld als een nuttige methode om onderzoek te doen naar bitgebruik/gebitslijtage bij paarden.
Het oorspronkelijke artikel is te vinden
via deze link en dateert van juni 2011.
Noot van een archeoloog: Het belangrijkste in dit onderzoek is dat het een betrouwbare methode blijkt om de vaststellingen die reeds onder de gewone - en electronenmicroscoop gedaan werden,
te bevestigen of ontkrachten.
Al drie decennia wordt de slijtage op bijvoorbeeld het email van paardentanden (maar ook talloze andere slijtbare oppervlakken bij mensen, dieren en objecten)
onderzocht door het beeld van het slijtspoor te bekijken onder de microscoop en de electronenmicroscoop. Nadat in grote groepen artefacten eenzelfde soort
slijtagesporen werd vastgesteld, werd vervolgens gezocht naar 'wat kan dit beeld veroorzaakt hebben?'. Een methode om die vraag te beantwoorden is nog steeds
experimentele archeologie (bijvoorbeeld zelf ruwe huiden gaan looien met een bepaald type silex schrabber) waarbij 'verse' gebruikssporen vergeleken worden met
archeologische slijtagesporen.
Met deze nieuwe methode kan nu door middel van een volledig andere benadering (chemische residu's opsporen) ook een antwoord op die vraag gezocht worden.
Een goede methode dus om een dubbel bewijs aan te dragen voor bepaalde types slijtagesporen, en los te komen uit eventuele cirkelredeneringen.
Over bot- en gebitschade bij rij- en lastdieren is al vrij veel gepubliceerd. Archeozoölogen gaan er van uit dat ieder paard dat ooit met bit gereden werd,
daar zichtbare schade van draagt. Dat kan variëren van krasjes op de voorste molaren, snijtanden en hoektanden, die enkel onder een electronenmicroscoop te zien zijn,
tot botwoekeringen op de lagen die je gemakkelijk met het blote oog kunt zien.
Hetzelfde geldt voor iedere vorm van niet-natuurlijke belasting, van bovenaf (ruiter) of door bijvoorbeeld een last te trekken. Dit laat allemaal specifieke
sporen na op het skelet, van microscopisch tot (helaas) grote botwoekeringen.
De vorm en afmetingen van de vroegere bitten komen overigens overeen met de huidige variatie van bitten. Hier een kleine
greep uit collecties van diverse musea:
De identificatie van bewijzen van bitgebruik
Samenvatting
Dit artikel beschrijft veranderingen aan de onderste tweede premolaren en aan de gebitsvrije ruimte in de mond bij paarden van een reeks bekende
levensgeschiedenissen van paarden en een aantal archeologische exemplaren van paarden uit het Britse ijzertijdperk. Twee nieuwe methodes om slijtage door het bit te
registreren zijn voorgesteld betreffende de analyse van de omvang en de morfologie van blootstelling van emaille/gebit op de voorste rand van LP2's en
analyse van de omvang van botwoekering en botschade aan de vrije ruimte van de onderkaak. Men veronderstelt dat wanneer bij een paard een bit wordt gebruikt,
dat het bit vaker in aanraking komt met de voorste rand van LP2 dan voorheen is gedacht en dat het herhaalde contact tussen het bit en LP2's en de gebitsvrije
ruimte in de mond resulteert in herkenbare schade aan deze gebieden van de mond.
Het oorspronkelijke artikel is te vinden via
deze link en dateert van november 2006.
De morfologie bestudeert de uitwendige bouw en vorm van levende wezens (vormleer)
en hun organen (orgaanleer) en probeert hun veelvormigheid terug te brengen tot evolutionair te duiden bouwplannen. Een bouwplan zijn in de biologie de
gemeenschappelijke kenmerken en eigenschappen van een systematische groep (taxon).
|