www.bitloospaardrijden.info



 

 

Onderzoeken

Er wordt steeds meer nagedacht over het bit en men komt langzaam maar zeker tot het besef dat een bit zoals we die altijd gewend zijn geweest te gebruiken, een nadelige invloed kan hebben op het paard, zowel lichamelijk als geestelijk.
Bittenfabrikanten zoals Sprenger en Myler doen ook niet voor niets onderzoeken naar de inwerking en invloed van diverse bitten en naar de anatomie van de paardenmond, waardoor zij tot een steeds betere ontwikkeling van anatomisch gevormde bitten komen.
Onderzoeken, kennisoverdracht, publicaties en ervaringen geven ons een steeds beter inzicht in wat we eigenlijk in de paardenmond stoppen, welke invloed dat heeft op het paard en welke invloed dat kan hebben op onze communicatie en samenwerking met ons paard.

De onderzoeken van Myler en Sprenger, van dr. Hilary Clayton, dr. Robert Cook en van dr. Elisabeth Engelke/prof. Hagen Gasse, onderbouwen dat de mond van het paard niet zondermeer geschikt is voor een bit en dat - gezien de anatomie van de paardenmond - het bit in eerste instantie maatwerk is en in tweede instantie geen vanzelfsprekend iets is, en dat bitloos dus een oplossing tot zelfs noodzaak kan zijn.
Voor Myler en Sprenger zijn hun onderzoeken een middel om betere en anatomisch passende bitten te ontwikkelen en deze ook toegestaan te krijgen in de wedstrijdreglementen. Tot op de dag van vandaag staat er nog in het reglement van de KNHS (artikel 41 van hoofdstuk 9 uit het Algemeen Wedstrijdreglement versie 2007-1) dat op grond van lichamelijke beperkingen van een paard geen dispensatie van de bitverplichting wordt verleend en dat wanneer een paard vanwege een blessure of aandoening niet conform de reglementaire bepalingen kan worden opgetoomd, hier ook geen dispensatie voor wordt verleend.
Maar een bepaald gevormde mond is natuurlijk géén 'lichamelijke beperking' en betekent ook niet dat er sprake is van een 'aandoening'. In dit opzicht dringt het ook bij de KNHS en de FEI langzaam maar zeker door dat de anatomie van de paardenmond - en daarmee de toegestane bitten - aandacht behoeft en gaat de KNHS langzaam maar zeker aan inzien dat bepaalde anatomisch gevormde bitten, zoals die van Myler en Sprenger, toegestaan moeten worden.

Er blijven altijd paarden die geen enkel bit kunnen verdragen; in meer of minder mate, tijdelijk of permanent, hoe anatomisch gevormd ook. Want zoals onderzoeken al uit wijzen, heeft ieder paard een unieke mond en is het onmogelijk om voor alle paarden een passend bit te vinden.
Buiten dat is het een hele toer, het gezoek en geëxperimenteer met bitten. Vind bovendien maar eens een deskundige die de kennis in huis heeft van de anatomie van de paardenmond en je hierin kan begeleiden en adviseren; deze deskundigen zijn er in ons land helaas niet veel. En zolang er geen goed passend bit gevonden is, moet het paard het dus doen met (een) niet-passend(e) bit(ten). Terwijl het zó voor de hand liggend is om zonder bit te rijden, dan weet je immers zeker dat je het paard niet meer hindert of pijn doet in z'n mond.
Daarnaast hebben we natuurlijk ook te maken met het emotionele aspect van bit en bitloos (paarden voelen zich lekkerder, zekerder, vrijer, trotser en meer ontspannen zonder bit) en met de relatie en samenwerking tussen ruiter en paard (de ruiter wil niet meer samenwerken door middel van een stuk metaal in de mond van het paard en wil een andere manier van rijden en mate van zachtheid bereiken).

We hebben de volgende onderzoeken verzameld:

Externe links: