Aanleuning
Verschil in aanleuning bij bit en bitloos?
Naar aanleiding van de nieuwsberichten in de Paard&Sport en op horses.nl begin december 2009 het begrip 'aanleuning' nader bekeken.
(Citaten uit de nieuwsberichten staan in bruin.)
Speciale rubrieken voor bitloze dressuurcombinaties
Bron: www.horses.nl
d.d. 08/12/2009.
Op dit moment ligt er een voorstel ter goedkeuring bij de Ledenraad van de KNHS om het mogelijk te maken per 1 april 2010 dressuurproeven bitloos rijden in de
klassen B t/m L2 dressuur uit te schrijven. De KNHS stelt voor aparte rubrieken te maken voor bitloze combinaties tijdens reguliere wedstrijden.
Volgens de werkgroep vormt de beoordeling van het begrip aanleuning een probleem bij het integreren van het bitloos rijden in de reguliere dressuur. De aanleuning
volgens het scala van africhting zoals dit in de nationale en internationale dressuur wordt gehanteerd, is een ander soort aanleuning dan die verkregen door het
rijden met een bitloos hoofdstel. Volgens de principes van de Internationale discipline dressuur kan de ontwikkeling van het paard tot Happy Athlete alléén
verkregen worden door gebruik te maken van een bit.
Laten we eens kijken naar het begrip 'aanleuning' en de definitie hiervan.
Aanleuning
Aanleuning als gevolg van losgelatenheid is de zachte verbinding tussen ruiterhand en paardenmond. Het bestaat wanneer het losgelaten paard de aanleuning aan het
bit opzoekt en zo met de hand van de ruiter meegaat. Het paard zoekt de aanleuning, de ruiter laat het toe. Dat geeft de ruiter de mogelijkheid om de gangen, het
tempo, de snelheid, de bewegingsrichting etcetera te bepalen en te reguleren. Gevolg van het 'aan de teugel zijn' is een verhoogde buiging in de hals en nek in een
verder ontwikkeld stadium van de aanleuning als gevolg van goede dressuurtraining. Daarbij is de aanleuning afhankelijk van de leeftijd, de graad van opleiding,
de lichaamsbouw, gang en tempo en de graad van de verzameling.
De correcte aanleuning geeft het paard de noodzakelijke zekerheid, zijn natuurlijke evenwicht onder de ruiter te hervinden en zich in takt in verschillenden gangen
uit te balanceren.
Uitgangspunt voor het begrip 'aanleuning' is dus het bit. Is het bit niet aanwezig, dan ziet de werkgroep van de KNHS dit dus als een ander soort aanleuning, omdat er geen verbinding is
met de paardenmond c.q. het bit.
Nu kan het bit wel het uitgangspunt zijn, maar aanleuning zèlf is een gevolg van losgelatenheid en een actieve achterhand. Immers, "Het paard moet als gevolg van de drijvende inwerking
van de ruiter vertrouwensvol aan de teugel komen. De aanleuning kan nooit door inwerking met de teugels worden gewonnen".
Wanneer er inwerking via de teugels en
het bit plaatsvindt, dan wordt de aanleuning dus afgedwongen en dit mag dan ook geen aanleuning genoemd worden.
Veelal zien we dan ook in plaats van aanleuning, fenomenen als 'achter de loodlijn', 'achter de teugel',
'van de teugel', 'tegen (of over) de teugel' en 'valse knik'; allemaal pogingen van het paard om zich te onttrekken aan de pijnlijke inwerking van het bit.
Deze manier van rijden heeft een bit nodig omdat een paard volgens specialisten alleen daarmee nek- en kaakgewricht voldoende los kan maken
om te komen tot het einddoel.
Is dat zo? Hoe werkt dat dan? Even een stukje huiswerk:
Anatomie
Naast de mentale en emotionele gesteldheid van het paard heeft de tong grote invloed op het wel/niet ontspannen van spieren elders in het lichaam (zie ook onze
pagina's Anatomie van het paardenhoofd en De tong van het paard).
Een aantal tongspieren is verbonden met tongbeentjes (hyoid apparatus). Vanuit die tongbeentjes lopen twee belangrijke halsspieren: de één loopt naar het borstbeen
(sternohycideus) en de andere loopt naar de binnenkant van de schouder (omohyoideus). Er bestaat dus een directe verbinding van de tong naar het borstbeen en de
schouder. Als er spanning bestaat in de tong, dan heb je ook spanning die via de halswervel doorloopt naar het borstbeen en de schouder waar juist daar door het
paard moeten worden nagegeven. Is er spanning in het borstbeen, dan kan het paard onmogelijk zijn rug 'bollen' en de spierketting gebruiken die de hals met de
staart verbindt en die via de buik van het paard weer terugloopt naar de hals.
Ook lopen er achterin de mond kleine spiertjes die de tongbeentjes verbinden met het kaakgewricht en met het gebied rond de nek, waar het hoofd aan de hals verbonden is.
Het kaakgewricht is een belangrijk centrum voor de zenuwen die onder andere zorgen voor balans en proprioceptie. Er bestaat een nauwe relatie tussen de spiertjes
van de tweede halswervel, het tongbeen, het kaakgewricht, het hoofd en de nek.
Wanneer we dit vertalen naar het paard, dan zien we dat een vrije, ontspannen en zachte tong essentieel is voor ontspanning in de kaak, nek, hals, schouder en
rug. Aangezien het bit altijd druk uitoefent op de tong - en vaak ook knijpt of knelt - kan de conclusie niet anders zijn dan dat juist het bit bijdraagt
aan een nièt ontspannen tong en dus géén los nek- en kaakgewricht.
Juist bij bitloos gereden paarden - waarbij de tong altijd vrij en ontspannen in de mond ligt - zien we dat ze vrijer bewegen met een betere coördinatie,
opvallend langere passen, betere balans en vooral ook veel meer
ontspannen en daardoor fijner te rijden. Feit is dat paarden juist zònder bit de kaken en nek loslaten en algeheel ontspannen, wat heel logisch is na wat anatomie-huiswerk.
Volgens de "specialisten" is een ontspannen nek- en kaakgewricht noodzakelijk voor het einddoel. Het einddoel (zie artikel 100 - Doel en algemene principes uit het
Disciplinereglement Dressuur, versie 2007-1) is:
De ontwikkeling van het paard tot een 'happy athlete' door een harmonieuze en systematische opleiding. Deze opleiding maakt het paard soepel, ontspannen en los,
maar ook tevreden en oplettend. Het paard en de ruiter begrijpen elkaar volledig; er is harmonie.
Tot zover geen onduidelijkheid.
Maar nu zeggen ze bij de KNHS het volgende:
De aanleuning volgens het scala van africhting zoals dit in de nationale en internationale dressuur wordt gehanteerd, is een ander soort aanleuning dan die verkregen
door het rijden met een bitloos hoofdstel. Volgens de principes van de internationale discipline dressuur kan de ontwikkeling van het paard tot Happy Athlete alléén
verkregen worden door gebruik te maken van een bit. Het accepteren van het bit is een heel belangrijk aspect voor het goedgaand paard. Deze manier van rijden heeft
een bit nodig omdat een paard alleen daarmee nek- en kaakgewricht voldoende los kan maken om te komen tot het einddoel. Paarden kunnen natuurlijk wel met een
bitloze optoming nageeflijk worden en druk op de teugel geven, maar de ontspanning van nek- en kaakgewricht zal niet volledig zijn. Een goed gereden
westernpaard kan bijvoorbeeld een goede aanleuning hebben op het gewicht van de doorhangende teugel. Een dressuurjurylid zal dat nooit aanleuning noemen.
Bij het bitloos rijden wordt aanleuning verkregen vanaf de bovenkaak tegen de neusriem aan. Hierdoor ontstaan substantiële verschillen tussen combinaties die
rijden met bit en combinaties die rijden zonder bit.
Wat zeggen ze nu in feite? Wat moet de ruiter met het bit doen om het nek- en kaakgewricht los te maken en 'aanleuning' te verkrijgen?
Is dat dan tòch het bekende inwerken in de mond?
Terug naar de definitie van aanleuning:
"Aanleuning is de zachte verbinding tussen ruiterhand en paardenmond als gevolg van losgelatenheid. Het paard moet als gevolg van de drijvende inwerking van de
ruiter (benen dus!) vertrouwensvol aan de teugel komen. De aanleuning kan nooit door inwerking met de teugels worden gewonnen."
Met andere woorden, aanleuning is een gevolg van:
- een actieve achterhand
- levendige bewegingen
- steeds aanwezig impuls
- elastische buigzaamheid van gewrichten
- vrije wil van het paard
- vertrouwen in de ruiter
- oplettendheid
- bereidwillige gehoorzaamheid
- edelmoedige overgave aan de ruiter
- rechtgerichtheid
- reageren met kalmte en stiptheid op de ruiterhulpen
- tonen van geestelijk, fysiek, harmonisch en natuurlijk evenwicht
- volledige ontvankelijkheid voor de hulpen (durchlässig)
en dit alles zonder enige tegenwerking van de ruiterhand c.q. teugels (c.q. bit of neusriem).
Dat de "deskundigen" nu zeggen dat voor het losmaken van nek- en kaakgewricht het bit nodig is, daarmee bevestigen zij dus dat de ruiter met het bit
moet inwerken. En daarmee is deze zogenaamde 'aanleuning' dus geen gevolg van goed rijden, maar een afgedwongen hoofd-hals-houding door
middel van inwerking van het bit.
Bij het integreren van het bitloos rijden in de reguliere dressuur is het volgens de werkgroep noodzakelijk dat het begrip aanleuning
wordt aangepast voor bitloze combinaties. Dit om onduidelijkheid in de verschillen (in beoordeling) tussen combinaties met bit en bitloze combinaties te voorkomen.
Zij omschrijven aanleuning bij bitloze combinaties als volgt: "het lichte contact op de teugels met het paard en de hoofd/ halshouding van het paard".
Deze hoofd-/ halshouding moet dezelfde zijn als bij het rijden met bit.
We kunnen ons afvragen hoe zij de aanleuning bij het rijden met bit dan omschrijven. Is dat dan geen licht contact op de teugels met het paard??
Opvallend is bovendien de genoemde hoofd-hals-houding. Want als we ook hier weer even terug gaan naar de definitie van aanleuning, zien we dat deze hoofd-hals-houding
een gevolg is van het 'aan te teugel zijn' dankzij het actieve en goed ondertredend achterbeen, wat ook nog eens afhankelijk is van de leeftijd en
lichaamsbouw van het paard, de graad van opleiding, de gang en
het tempo waarin gereden wordt en de graad van de verzameling. En laat nou net de klassen B t/m L2 de beginnersklassen zijn waarin (veelal nog jonge) paarden dus
slechts in het begin van de opleiding zitten....! De optimale aanleuning wordt in die klassen ook nog niet gevraagd, dus wat valt er dan te beoordelen in de
klassen B en L wat aanleuning betreft?
In de Paard&Sport wordt verder gesproken over het voorstel van de werkgroep om alleen de sidepull, het kingekruiste hoofdstel en het kaakgekruiste hoofdstel toe te staan bij
dressuurwedstrijden, waarbij het hoofdstel van leer moet zijn met een neusriem van minimaal 2 cm breed en 6 mm dik en er geen metalen kern in de neusriem mag zitten.
Dit is een prima voorstel, want deze drie systemen en dergelijke neusriemen zijn namelijk erg paardvriendelijk en dat is wat we met bitloos paardrijden immers willen.
Toch is het dubbel; een metalen kern is namelijk wèl toegestaan in de mond, namelijk het bit.
Het besef dat een bit in de mond veel scherper en harder inwerkt dan een neusriem op de neus, is nog steeds niet tot iedereen doorgedrongen...
'Aanleuning' met bit; ontspannen nek- en kaakgewricht, zachte verbinding, losgelatenheid en een happy athlete....?? |
 |
 |
 |
 |
Dit lijkt er meer op: |
 |
 |
 |
 |
In dezelfde editie van horses.nl staat het volgende bericht:
KNHS zoekt juryleden voor bitloos dressuurrijden.
De KNHS wil in het eerste kwartaal van 2010 een opleiding tot Jurylid Dressuurproeven Bitloosrijden organiseren in Ermelo. De opleiding wordt
op een avond in maart gegeven, hierbij wordt de theorie gekoppeld aan de praktijk. Inschrijven kan tot 1 februari 2009.
Juryleden gaan dus 'opgeleid' worden om de aanleuning bij bitloze combinaties te kunnen beoordelen.
Hoe gaan ze dit bij de KNHS uitleggen en anatomisch verantwoorden?
Wààr zit volgens hen het verschil in? In de mond? Op de neus? Waar moet de jury nu ànders naar kijken?
Behoren ze niet gewoon te kijken naar de zachte verbinding met de teugels als gevolg van losgelatenheid en actief ondertredende achterhand?
Want dàt is immers waar het bij aanleuning om gaat en dan is er geen enkel verschil tussen bit en bitloos.
Maar het is meer dan eens duidelijk geworden dat het bit wordt gebruikt voor die zogenaamde 'aanleuning', en dat is niets anders dan in de krul rijden (de
gewenste hoofd-hals-houding). Dat heeft niets met "zachte verbinding als gevolg van losgelatenheid" van doen, maar alles met het
uit pure noodzaak inknikken ten gevolge van de druk/pijn die het paard in z'n mond voelt. Het inwerken in de mond (het zogenaamde "spelen, kneden") vindt het
paard namelijk dermate vervelend/pijnlijk dat hij een houding opzoekt om daar maar van af te zijn. En dat is 'in de krul', want zodra hij dat doet, houdt de
ruiter op met hem in z'n mond te treiteren. Een paard in de krul rijden, heeft geen enkel nut, is schadelijk voor het paard en mag nooit onder de noemer
'aanleuning' vallen, want zo is die term nooit bedoeld geweest.
Misschien verwachten de "specialisten" nu dat bitloze ruiters dit zelfde gaan doen door in plaats van in de mond te gaan zitten inwerken, nu op de neus te gaan inwerken.
Maar op die manier het paard in de krul dwingen met een vriendelijk leren bitloos hoofdstel met een neusband van minimaal 2 cm breed en 6 mm dik, dat gaat natuurlijk
niet lukken. Dat is namelijk niet pijnlijk genoeg voor het paard om voor te wijken en in te knikken.
Met andere woorden, wanneer een paard met een dergelijk toegestaan bitloos hoofdstel (of met een nòg bredere/dikkere neusriem) met een correcte hoofd-hals-houding
wordt gereden, dan kan het niet anders dan dat dit paard inderdaad aanleuning geeft vanuit de achterhand en losgelatenheid; de aanleuning zoals deze bedoeld is.
En dat is het grote verschil en voordeel van bitloos. En dàn ook hebben de "specialisten" helaas gelijk. 'Helaas', omdat ook bij bit-gereden paarden de aanleuning,
de losgelatenheid en de gewenste hoofd-hals-houding vanuit de actieve achterhand behoort te komen.
Het lijkt er op dat juryleden eerder een opleiding behoeven in het beoordelen van aanleuning in z'n algemeenheid (bit of geen bit), zodat ze de afgedwongen hoofd-hals-houding
goed kunnen onderscheiden van correct verkregen aanleuning. Want dat is waar het om gaat.
|